Ga verder naar de inhoud

Een taal leer je niet alleen in de klas: on­der­bou­wing

Als lesgever Nederlands aan volwassenen in Brussel weet je hoe uitdagend - en tegelijk cruciaal - het is om cursisten aan te moedigen om Nederlands actief te gebruiken buiten de klas. We leggen uit waarom we net deze invalshoek naar voor schuiven. Je vindt hier ook de belangrijkste bronnen waarop we ons baseerden. 

Waarom deze themakeuze?

Er bestaan veel goede wetenschappelijke overzichten over hoe mensen het best een nieuwe taal leren. Wij hebben dit samengevat in vijf bouwstenen.  

Vervolgens bekeken we deze literatuur door een specifieke bril: wat hebben volwassen leerders, die in Brussel Nederlands leren, precies nodig? 

Op basis daarvan trokken we vijf conclusies die de onderbouwing vormen voor de verschillende thema's die je op onze webpagina vindt.

Wat hebben volwassen leerders die in Brussel Nederlands leren nodig? 

  1. Nederlands actief gebruiken buiten de klas is doel én middel voor volwassen leerders, om succesvol Nederlands te leren.
  2. Leerders hebben strategieën (spreek-, leer- en affectieve strategieën) nodig om Nederlands te durven gebruiken in Brussel.
  3. Nederlands gebruiken, gebeurt meestal niet vanzelf in Brussel. De meeste cursisten hebben baat bij ondersteuning van hun lesgever.
  4. Cursisten leren en gebruiken het best Nederlands wanneer het Nederlands relevant is en verbonden met hun eigen leven. Brusselse leerders moeten die band - tussen Nederlands en hun persoonlijk leven - vaak nog opbouwen.
  5. Cursisten en docenten leren en onderwijzen het best Nederlands vanuit een meertalige mindset, waarbij het streven naar de ‘native speaker’-norm plaatsmaakt voor een meertalige en inclusieve visie.

1. Nederlands gebruiken buiten de klas, is doel én middel.

Leerders volgen Nederlandse les met de ambitie om vervolgens ook die taal te gebruiken buiten de klas. Dat is het doel én meteen ook een middel want je verwerft een taal door ze veel te gebruiken. 

Natuurlijk komt dit taalgebruik uitgebreid aan bod in de meeste lessen die een communicatieve aanpak hebben. Toch is dit niet voldoende en hebben cursisten ook nood aan echte gesprekken buiten de klas.  

  • Ten eerste omdat de meeste gesprekken die cursisten in de klas voeren, nagebootst zijn. We simuleren een communicatieve situatie waarbinnen cursisten oefenen. Dat is een sterke aanpak, maar mist vaak de 'noodzaak' die werkelijke communicatie heeft. Hierdoor engageren cursisten zich minder en beklijft het ook minder.  
  • Ten tweede zijn de uren in een module te beperkt. Cursisten hebben meer kansen nodig om Nederlands te oefenen en te gebruiken dan wat jij in je module kan bieden.

2. Leerders hebben strategieën nodig om Nederlands te durven gebruiken.

We onderschatten vaak hoe taalleren in belangrijke mate ook een affectief proces is. Of je bereid bent om Nederlands te 'durven' gebruiken (the willingness to communicate) hangt af van verschillende onderdelen: 

  • Hoe competent voel je je? Heb je ooit al eens Nederlands gesproken buiten de klas en was dat een succes? (want dat beïnvloedt de perceived competence)
  • Hoe welkom voel je je op die plek of bij je gesprekspartner? Stress of een machtsverhouding is niet bevorderlijk voor de bereidheid om te communiceren.
  • Wat gebeurt er in je hoofd als het gesprek toch hapert? Verwijt je dan jezelf of zoek je naar manieren om het gesprek toch verder te zetten? 

Je kan de bereidheid om te communiceren, het durven spreken, bij cursisten stimuleren door hen strategieën aan te reiken: 

  • Leerstrategieën: waar je cursisten ondersteunt om concrete haalbare doelen te maken over waar en met wie ze Nederlands willen gebruiken, hoe ze dit willen aanpakken.
  • Affectieve strategieën: waar je met cursisten in gesprek gaat over hoe ze zich voelen wanneer ze Nederlands gebruiken, hoe dit kan variëren naargelang de context, eerdere ervaringen.
  • Spreekstrategieën: concrete trucjes om de communicatie toch verder te zetten als het gesprek hapert. Binnen dit verhaal van spreekstrategieën geven we een centrale plaats aan chunks/frequente zinnen.   

3. Het Nederlands echt gaan gebruiken, gebeurt niet vanzelf. Als docent ondersteun je je cursisten om die stap te zetten.

Uit ons onderzoek (motivatieonderzoek 2023) weten we dat veel Brusselse NT2-cursisten teleurgesteld zijn over de mogelijkheden om in Brussel Nederlands te gebruiken.  Het is waar dat de spontane kansen om in Brussel Nederlands te horen en te gebruiken minder vanzelfsprekend zijn. Toch zijn die mogelijkheden er, maar cursisten hebben jouw ondersteuning nodig om ze te vinden en dit te realiseren. 

  • In de eerste plaats omdat cursisten vaak het idee hebben dat ze eerst de taal gaan leren en dan pas gebruiken. Het is jouw rol om te wijzen op hoe essentieel taalgebruik is in het leerproces, al van bij het begin. Laat hen weten dat 'fouten maken mag'.
  • Een tweede belangrijke rol voor jou is om je cursisten te begeleiden naar kleine haalbare kansen om af en toe Nederlands te gebruiken buiten de klas. In het spreekportfolio benadrukken we dat dit in de eerste plaats niet hoeft op een Nederlandstalige plek. Je kan ook af en toe Nederlands gebruiken thuis/met vrienden (ook al praten zij nog geen Nederlands).
  • Tenslotte is het onze ambitie dat cursisten die les volgen ook een idee hebben op welke plekken ze af en toe écht Nederlands kunnen gebruiken. Dit werkt het best als die plekken ook passen bij de leefwereld van de cursist (bijvoorbeeld in de buurt, of thematisch)  

4. Cursisten blijven gemotiveerd en leergierig als Nederlands gebruiken ook een plek heeft in hun persoonlijke leven.

  • Uit het motivatie-onderzoek weten we dat de meeste Brusselse leerders die Nederlands leren het idee 'Nederlands is belangrijk voor mij' sterk geïnternaliseerd hebben, maar verder nog niet heel concreet gemaakt hebben in relatie tot hun persoonlijk leven. Veel leerders zullen algemeen antwoorden op de vraag 'Waarom leer je NL?': 'om een job te vinden', 'voor mijn kinderen', ...
  • Uit datzelfde onderzoek weten we ook dat een groot deel van de Brusselaars die Nederlands leren hier vrijwillig voor kiezen. Er is dus een intrinsieke motivatie.
  • Als Nederlands leren tijdens het leerproces niet concreet gemaakt wordt (duidelijke band met je persoonlijke leven) dan is het moeilijk om die motivatie vol te houden.
  • Daarom pleiten we er op onze pagina voor om deze plek concreet te maken. 

5. Meertalige competentie

Taalleren is geen abstract proces dat vorm krijgt onafhankelijk van de persoon. Het verwerven van een taal krijgt vorm vanuit de ervaringen van de leerder en in interactie met een specifieke context. 

Cursisten én docenten leren en gebruiken het best Nederlands vanuit een mindset van meertalige competentie. Het doel is om - bovenop het talige repertoire waarover iemand al beschikt - ook voor de leerder relevante gesprekken in het Nederlands te kunnen voeren.  In die visie zetten cursisten en docenten zich actief af tegen 'native speakerism': de opvatting dat de ideale moedertaalspreker de ultieme norm zou zijn. 

  • Op het niveau van de leerder: een nieuwe taal leren staat niet los van de communicatieve repertoires die een persoon reeds heeft. Een krachtige leeromgeving betrekt deze competenties in het leren van een nieuwe taal. Het Europees Referentiekader (ERK) biedt hiervoor een goede leidraad. Het uitgangspunt daarbij is dat we onze talige en culturele kennis niet in aparte vakjes in onze hersenen opslaan. De talenkennis waarover iemand beschikt en onze ervaringen staan met elkaar in verband, werken op elkaar in en dragen bij aan de ontwikkeling van onze communicatieve competentie. 

    Het ERK beschrijft deze wisselwerking in 3 schalen: 

    • Voortbouwen op pluricultureel repertoire
    • Meertalig begrip
    • Voortbouwen op meertalig repertoire

       

  • Op het niveau van de omgeving: een nieuwe taal leren staat ook niet los van de omgeving en de heersende ideologieën. Leerders worden bijvoorbeeld wel vaak beoordeeld vanuit de dominante 'native speakerism' ideologie: hun Nederlands wordt als niet goed beschouwd omdat het afwijkt van de 'ideale moedertaalspreker'. In zo'n omgeving voelen leerders zich vaak niet welkom, wat een grote impact kan hebben op hoe ze Nederlands zullen gebruiken. Leerders mogen zich bewust zijn van de impact die de omgeving heeft op hun prestaties en waar ze wel en niet Nederlands wensen te gebruiken. 

Welke bronnen hebben we geraadpleegd?

  • Europees Referentiekader

In 2001 publiceerde de Raad van Europa het Common European Framework of Reference for Languages (CEFR of CEF). Doel van het CEFR was om taalniveaus voor moderne vreemde talen in Europa beter te kunnen vergelijken. Het initiatief kadert in het Europese beleid om meertaligheid in Europa te bevorderen.

Om het CEFR toegankelijk te maken voor het onderwijs Nederlands, publiceerde de Nederlandse Taalunie in 2006 de vertaling: Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen: Leren, Onderwijzen, Beoordelen (ERK).

Eind 2017 publiceerde de Raad van Europa het CEFR Companion Volume, een supplement bij het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen (ERK).

Het supplement is een aanvulling op het ERK en biedt een verbreding van het instrumentarium. Begin 2019 heeft de Taalunie een vertaling van het document gepubliceerd: ERK - Supplement met nieuwe descriptoren.

Een grote dankjewel is aan de orde. 

Deze pagina kwam tot stand dankzij de samenwerkingen en uitwisselingen met docenten van CVO Brussel, CVO Lethas, CVO Semper en Ligo Brusselleer.